blog > Beleidsplan Ruimte Vlaanderen 2050: tussen hoop en twijfel

Beleidsplan Ruimte Vlaanderen 2050: tussen hoop en twijfel

JEF VAN DEN BROECK. 20 FEBRUARI 2017. Onlangs werd het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) goedgekeurd. Zoiets doet hoop ontstaan, maar evengoed twijfel en zelfs wantrouwen. Hoop, omdat er nog maar eens goede bedoelingen worden geuit. Twijfel, omdat de meeste van die bedoelingen al in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) stonden, een beleidsplan dat in 1997 werd goedgekeurd.

Het RSV werd slechts gedeeltelijk gerealiseerd, terwijl fundamentele ruimtelijke kwesties nog steeds niet aangepakt werden. Waarom zou dit nieuwe plan wél kansen op slagen hebben, als we weten dat ‘ruimte’ voor velen louter een bron van inkomsten blijft? Gelukkig trekken de steden, gestimuleerd door het Stedenbeleid, wél aan de kar en vallen er ook in de open ruimte af en toe interessante projecten te bespeuren. Maar op een ruimtelijk beleid dat de wezenlijke kwesties op Vlaams niveau structureel aanpakt blijft het wachten.

Iedereen die een beetje inzit met de kwaliteit van onze omgeving ziet een ‘betonstop’ en een aantal principes die in het ‘Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen’ staan wel zitten. Wie kan er tegen de betere bescherming van onze open ruimte zijn, tegen meer vergroening, tegen de ‘verpaarding’ van de landbouwzone die meer en meer oneigenlijk gebruikt wordt door pseudo-boeren? Wat de geprogrammeerde verdichting van woongebieden betreft, daar kan men zeker weerstand tegen verwachten – vooral in de kleinere steden en dorpen. Hoogbouw kan op dat vlak hier en daar een antwoord zijn, maar niet voor het realiseren van een globale zinvolle verdichting en verweving – zeker niet binnen onze ruimtelijke structuur en vorm. Andere gebouwen- en stedenbouwkundige types kunnen veel beter voor de nodige verdichting zorgen, zoals in vele steden aangetoond wordt.
Samen met minister-president Bourgeois, zijn planners en stedebouwkundigen het eens dat er een einde moet komen aan de verrommeling, de lintbebouwing en aan het bouwen in natuur- en overstromingsgebieden. Maar deze visie is niet nieuw. De principes staan al jaren in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Waarom werden ze nooit echt toegepast? Gaat men er nu aan beginnen? Ik hoop het natuurlijk maar betwijfel het sterk. Zolang er elke dag bossen worden gerooid, U-Places worden goedgekeurd, lintbebouwing en verkavelingen worden toegelaten, blijft de ‘verandering’ uit.
Het gaat daarbij echt niet alleen om andere verkavelingsvoorschriften. De mogelijkheid om verkavelingen op geschikte plekken te verdichten is weliswaar nodig en de bestaande bouwtypes (overwegend alleenstaande huizen) moeten kunnen aangepast worden aan de nieuwe noden. Maar dit lost de ‘verrommeling’ niet op. En het invoeren van ‘bouwrechten’ is niet voldoende om ‘slechte’ tegen ‘goede’ gronden te kunnen ruilen. Hiervoor moet de overheid beschikken over voldoende bouwgronden, moet ze een grondpositie hebben, kunnen en durven onteigenen. Hiervoor zijn een beleid maar vooral ook middelen en een systeem nodig. Zullen die er zijn?

In het ‘Witboek’ wordt terecht gepleit voor een ‘gebiedsgerichte’ aanpak. Dit houdt in dat specifieke strategische ruimten, zoals bijvoorbeeld de ‘Brusselse Ring-Rand’, het Zaventemse luchthavengebied en landschapsparken op een geïntegreerde innovatieve manier moeten gepland worden, samen met alle betrokkenen. Sommige regio’s en steden geven hier het goede voorbeeld. Op Vlaams niveau lijkt het moeilijker om complexe processen te managen. Kijk maar naar de BAM-saga. Zoiets vereist inspanningen, expertise, middelen en samenwerking en een gebiedsgerichte organisatie die de sectoraal verzuilde structuren kan doorbreken. Het vereist vooral een andere verhouding tussen burger, burgerbewegingen en overheden. De overheden moeten accepteren dat burgers en burgerbewegingen over veel kennis en expertise beschikken en als gelijkwaardige actoren moeten worden behandeld. Het gaat ook niet zozeer om complexe ‘gesloten projecten’ met een vooraf bepaald doel, maar om complexe ‘open-einde processen’ die niet als management maar als maatschappelijke processen dienen aangepakt te worden (zie onder meer: Gebiedsgericht Geïntegreerd Beleid, KULeuven, K.U. Nijmegen, 1999; de studie SP2SP, KULeuven, UAntwerpen, Ugent, 2010; Cursus VRP 2017,…).

De behoefte aan ‘samenwerking’ tussen de beleidsniveaus en betrokken ‘stakeholders’ komt in het Witboek heel vaak voor. Ook weer terecht. Maar is de voorgestelde samenwerking niet louter bedoeld om de uitvoering en de kosten van deze visie te verschuiven naar de gemeenten, zodat de verdere rol van het Vlaamse niveau beperkt wordt tot het bepalen van een ‘strategische visie’ op lange termijn, tot gemakkelijke woorden zonder daden? De verantwoordelijkheid voor de realisatie van het BRV zonder begeleidende middelen doorschuiven naar lokale besturen is echt geen beleid.

Deze ‘Witte visie’ is momenteel nog uitermate vaag wat de implementatie betreft. En een visie zonder actieplan en middelen blijft altijd een droom. Daarom wordt het hoogtijd dat deze voorstellen in detail uitgewerkt en toegepast worden. Het is hemeltergend dat iedereen roept om een betere ruimtelijke ordening als voorwaarde voor verkeersveiligheid, voor het beperken van de files, voor gezondheid en leefbaarheid, terwijl er weinig fundamenteels gebeurt. Hopelijk wordt er geluisterd naar de duidelijke taal van de Vlaamse Bouwmeester, naar diens team en adviseurs, en blijft het niet bij louter woorden.

Foto: © Hans Tindemans