Visietekst Ruimte en Energie

De Visietekst over Ruimte en Energie kwam tot stand in het VRP Lab Ruimte en Energie. In die denktank bogen experten energie en ruimtelijke ordening zich over de ruimtelijke implicaties van de energietransitie. U kunt de tekst hieronder integraal lezen. VIA DEZE LINK KUNT U DE VISIETEKST DOWNLOADEN.

1. Inleiding

Ons Vlaams landschap is doorheen de eeuwen gevormd als een energielandschap met zichtbare elementen als windmolens, watermolens, plaggen … Energetische vraagstukken bepaalden mee de locatie en de inrichting van onze activiteiten. Hoewel de laatste decennia heel wat energie-infrastructuur is ingeplant, zijn we die koppeling tussen energie en landschapsinrichting toch enigszins kwijt geraakt. De huidige Vlaamse regering onderstreept opnieuw dat energie een zichtbaar en essentieel onderdeel kan en moet zijn van ons landschap. Een ambitieuzer ruimtelijk beleid is noodzakelijk voor het behalen van klimaat- en energiedoelstellingen, maar ook om de energietransitie te verwezenlijken.

De Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen (ODE) en de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP) bogen zich samen met een twintigtal experten energie en ruimte in een Lab – denktank – over hoe de energietransitie ruimtelijk kan vertaald worden. Hoe passen we de energie-opgave het best in onze ruimte in? Hoe creëren we efficiëntiewinsten? Hoe houden we rekening met – of beter – hoe minimaliseren we mogelijke hinder? Of hoe kunnen energiegewassen en –infrastructuur net de ruimtelijke kwaliteit versterken?

In voorliggende tekst wordt een synthese gemaakt van de bevindingen. Het document is opgevat als een advies aan de Vlaamse overheid in functie van een Vlaams energieplan en het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Tegelijkertijd willen we met deze tekst ook alle actoren in het veld een kader aanreiken om rond energie en ruimte aan de slag te gaan.

2. Energietransitie vergt een Vlaams beleidskader en een regionale aanpak via energielandschappen

Onder energietransitie verstaan we de omschakeling van het huidige energiesysteem naar een systeem dat verdere klimaatverandering afremt en gebaseerd is op energieopwekking via hernieuwbare energiebronnen, ondersteund door een intelligent netwerk dat voorziet in vraagsturing, opslag en interconnectie.

2.1. Een Vlaams kader is noodzakelijk

  • Het uitwerken van een visie op het toekomstige Vlaamse energiesysteem (warmte, elektriciteit, mobiliteit, energie-efficiëntie): welke bronnen, welke technologieën, welke energetische concepten, verder afstemmen van vraag en aanbod, uitwerken van diverse energie opslagsystemen, interconnectie met buurlanden… In deze visie worden keuzes gemaakt voor een helder en geïntegreerd en gebalanceerd energiesysteem.
  • Er worden richtinggevende doelstellingen (2030-2040-2050) bepaald voor verschillende energiebronnen: de Vlaamse overheid moet hiervoor hoofdlijnen uitzetten zodat de Vlaamse overheid zelf, maar ook private en andere publieke partners een houvast hebben om aan de slag te gaan.
  • Deze duidelijke ambitieuze doelstellingen moeten de urgentie aangeven en aanleiding zijn om met z’n allen initiatief te nemen op die uitgezette koers.
  • Dat betekent dat we het beleid hierover dus niet enkel cijfermatig vast beitelen, maar wel de opgave helder maken zodat het aanzet om aan de slag te gaan. Doelstellingen moeten wel robuust zijn, maar kunnen bij veranderende technologische mogelijkheden, wijzigende inzichten … bijgesteld worden. We voorzien daarom geen harde doelstelling per technologie, maar we bepalen wel de richting, met name hernieuwbare energie en een verdere Europese netintegratie inzake elektriciteit.
  • Een top-downbeleid met taakstellingen is nodig en complementair aan een bottom-up aanpak:
    – Vanuit een duidelijke visie (plan/pact) kan een stabiel kader gecreëerd worden, waarin andere overheden en relevante partners, zoals netbeheerders, energieproducenten,  bedrijven en burgers geprikkeld worden om initiatief te nemen. Dat kan bevorderd worden door onder meer een evenwicht in verdienmodellen (business modellen) te introduceren, die compatibel zijn met en stimulerend voor de uitbouw van het toekomstig energiesysteem.
    – Sturing met taakstelling en keuzes vanuit federaal en Vlaams beleid waarbij deze beide niveaus op korte termijn tot een heldere afstemming komen. Vrijblijvendheid leidt tot weinig en laattijdige acties; toewijzing van taken en dus van verantwoordelijkheden leidt tot meer daadkracht.

2.2. Energietransitie kan niet zonder een actief ruimtelijk beleid

  • Planning is veel meer dan alleen maar bestemmen. Planning gaat over visie en doelstellingen, middellange en lange termijn, processen en betrokkenheid, het afstemmen van verschillende belangen. Een planningsinitiatief bekijkt het geheel aan ruimtevragen met de blik en potentie van de toekomst. Het is een maatschappelijk en dus sociaaleconomische evenwichtsoefening die voorbij de ad hoc benadering wil geraken. Indien we niet op inzetten op diepgaande ruimtelijke planningsoefeningen zullen er in onze versnipperde Vlaamse ruimte weinig energieproductielandschappen gerealiseerd kunnen worden.
  • Het toekomstige energiesysteem (hernieuwbare energie, opslag, energie-transportinfrastructuur…) heeft plaats nodig en vergt een goede landschappelijke inpassing.
  • Analyses van energiebehoeften versus beschikbare ruimte tonen aan dat we de verdere omslag naar hernieuwbare energie niet kunnen maken met een beleid dat enkel uitgaat van (bestaande) vergunningenverlening. Een veel (pro-)actiever (ruimtelijk) beleid zal voor de realisatie van de doelstellingen noodzakelijk zijn. Voor de kortetermijndoelstellingen (2020) zijn (nieuwe) planningsinitiatieven wellicht te traag; voor middellange- en lange termijndoelstellingen dient de noodzaak tot bijkomende planningsinitiatieven overwogen te worden.
  • Een aantal recente lokale en provinciale planningsinitiatieven voor hernieuwbare energieprojecten hebben een gemengd resultaat gekend, die een aantal nuttige lessen opleveren.
  • Het lijkt aangewezen geen planningsinitiatieven te organiseren voor zones waar vandaag al energieprojecten kunnen, om vertraging bij de realisatie van het potentieel dat er nu is te vermijden.
  • Planningsinitiatieven zijn wel nuttig voor zones waar vandaag nog geen energieprojecten gerealiseerd kunnen worden.
  • Gelet op de complexiteit van grote energieprojecten, is het van belang dat die initiatieven steeds worden gerealiseerd in nauw overleg tussen de betrokken ontwikkelaars en ruimtelijk planners. Grote energieprojecten dienen immers naast een commerciële meerwaarde ook een maatschappelijke meerwaarde te genereren.
  • Dus van bij het begin de juiste expertise aan tafel hebben is geen overbodige luxe.
    Zowel sociaal en ruimtelijke aspecten als commerciële-, milieu-, energetische en (aansluitings)technische aspecten dienen in het project te worden geïntegreerd. Een samenwerking tussen de verschillende domeinen aan expertise is dan ook noodzakelijk.
  • Grote energieprojecten worden daarom bij voorkeur van bij het begin in een breed partnerschap voorbereid, zodat een stevig draagvlak kan worden gevonden bij alle betrokkenen en alle belangen kunnen worden verenigd.
  • Duidelijke communicatie en transparantie gedurende het planningsproces zijn eveneens cruciaal en kunnen de doorlooptijd van het ruimtelijk inplantingsproces ten goede te komen en tegelijk de rechtszekerheid voor alle betrokkenen verhogen.
  • Het planinitiatief dient ook voldoende flexibiliteit in te bouwen om snelle evoluties in de energietechnologie op te vangen.

2.3. Energietransitie koppelen aan andere maatschappelijke transities

  • Een ruimtelijk planningsinitiatief kan ook dienen om de energietransitie te koppelen aan andere  maatschappelijke opgaves die een ruimtelijke weerslag hebben (vb. mobiliteit, leefbare kernen, open ruimte, …). Beter dan elk afzonderlijk op zoek te gaan naar antwoorden, lijkt het zoeken naar win-win meer aangewezen.
  • Transitie kost veel geld, maar door energie te koppelen aan uitdagingen in andere sectoren, zullen de investeringen veel efficiënter en effectiever kunnen worden. Maatschappelijk dient ook vermeld dat het niet uitvoeren van de transitie nog veel duurder zou uitdraaien.
  • De energietransitie is ook een kans en een hefboom om onze ruimtelijke structuur meer kwaliteit te geven en te herdenken. Zo betekent de inplanting van windmolenparken ook dat we het landschap mee vorm kunnen geven.

2.4. Ontwikkel op regionale schaal energielandschappen

  • De ruimtelijke integratie van verschillende beleidsvelden gebeurt best op het schaalniveau van de regio. We moeten tot energiestrategieën komen op een schaal die de leefomgeving van de mensen raakt en waar samenwerking ook echt tot versterking kan leiden. En dan komen de regio’s in beeld. Met een regio bedoelen we een aaneengesloten groep van gemeenten die min of meer een logisch geheel vormen. Afhankelijk van de criteria zouden dat zo’n 15 à 20 regio’s kunnen zijn in Vlaanderen. De bepaling van de energielandschappen moet gebeuren op basis van logische inhoudelijke analyses in combinatie met bestuurlijke en organisatorische praktijken (provincies, intercommunales, samenwerkingsverbanden).
  • Voorbeelden van Nederlandse Deal Pilots Regionale Energiestrategieën zijn o.m. te vinden op http://regionale-energiestrategie.nl/
  • Het werken in/met energielandschappen moet leiden tot een goede inbedding van energieproductie, uitbalanceren van vraag en aanbod, keuzes over intelligente netten en het meenemen van kwesties zoals opslag, transportsysteem, energie-efficiëntiestrategieën, enz…
  • Energielandschappen worden best benaderd vanuit een stakeholderanalyse en -management en vanuit ‘fact driven design’.
  • Voor grote energieprojecten (waaronder windenergie) worden eventuele planningsinitiatieven desondanks best op Vlaams niveau bekeken, met inachtneming van Vlaamse regelgeving. Planningsinitiatieven op provinciaal of lokaal niveau resulteren vaak in bijkomende regelgeving die deze, al erg complexe, projecten verder vertraagt en bemoeilijkt.

2.5.  Betrokkenheid is nodig

  • We maken van de energietransitie een wervend verhaal, waarbij er ook de nadruk wordt op gelegd dat het verhaal Vlaanderen en zijn regio’s kansen geeft.
  • Betrokkenheid is belangrijk. Het leidt ertoe dat:
    – burgers/organisaties/bedrijven zuiniger en efficiënter zullen omgaan met energie
    – weerstanden tegen transities makkelijker omgebogen kunnen worden tot enthousiasme
  • Betrokkenheid wordt op verschillende schaalniveaus georganiseerd en verankerd.
  • Tijdige en transparante communicatie is een noodzaak om betrokkenheid te creëren.
  • Betrokkenheid leidt tot sociale binding; dat tonen vele voorbeelden in onder meer Denemarken, Duitsland en Nederland aan.
  • Om betrokkenheid te creëren is het essentieel dat (lokale) beleidsmakers, die zich op heden nog vaak verzetten tegen grote energieprojecten, de boodschap mee durven uitdragen: verandering is nodig, ook op lokaal niveau, ook als er initieel weerstand is.

3. Energiebesparing en -efficiëntie door kernversterking

3.1. Een actief ruimtelijk beleid dat inzet op nabijheid is urgen

  • Ons huidig ruimtelijk patroon met sterke urban sprawl (de verkavelingen, verlinting,  verspreide bedrijven(terreinen…) zorgt ervoor dat Vlaanderen zowel op gebouwenniveau (relatief verouderd patrimonium, relatief grote woningen en voornamelijk vrijstaande eengezinswoningen …) als op transportvlak weinig energie-efficiënt is. Dat leidt dan ook tot een hoge totale kost voor energie en infrastructuur. De gefragmenteerde eigendomsstructuur met een hoog aandeel woningeigendom maakt renovatie er niet gemakkelijker op en zorgt mee voor heel wat afgewentelde kosten.
  • We kunnen dat pas fundamenteel aanpakken door in te zetten op kernversterking en dus op een ander ruimtelijk, woon- en mobiliteitsbeleid:
    – Locatiebeleid
    – Groepsbouw/geschakeld bouwen
    – Collectieve aanpak
    – Transit & Bike Oriented Development
  • Zeker voor nog nieuw te bouwen woningen en bedrijven moeten we het meteen excellent doen:
    – Locatie: geen of zo weinig mogelijk gebruik van greenfields, wel gekoppeld aan bestaande kernen en bedrijventerreinen, openbaar vervoer en voorzieningen.
    – Densiteit: compacte en geschakelde gebouwen met functiemix en met aandacht voor oriëntatie.
    – Integrerend: aandacht voor duurzame modi en autodelen i.p.v. parking, zorg voor groen en doorwatering …
  • Sloop mag geen taboe zijn…

3.2. Bestaande bebouwde ruimte vraagt verhoogde aandacht

  • In nieuwe ontwikkelingen wordt al heel veel aandacht besteed aan energie. De grootste uitdaging is wellicht het transformeren van de bestaande bebouwde omgeving. Via een selectieve verdichting en via synergieën (tussen bedrijven, organisaties, burgers, …) en door het koppelen van opgaves (vergrijzing, mobiliteit, open ruimte, …) moeten we gaan optimaliseren.
  • Brownfields (en hopelijk binnenkort ook) greenfields zijn de uitzonderingen. Het merendeel van de nieuwe ontwikkelingen (nieuwbouw of renovatie) gebeurt binnen een bestaand weefsel.
  • De transitie in dat bestaande weefsel is een complex sociaal, economisch, juridisch,  financieel en fiscaal gegeven.
    – Hierbij moeten we van individuele naar collectieve oplossingen
    – We evolueren naar schaaloptimalisatie
    – We balanceren productie en verbruik
    –  …
  • We zetten meer middelen in om dat te realiseren. Daarbij gaan we bestaande subsidiekanalen – cf. Renovatiepact, woonbonus, … – (deels) heroriënteren en waar nodig ruimtelijk selectief maken.

3.3. We moeten voorbij de louter individuele aanpak

Het huidige energiebeleid legt te veel nadruk op verandering door de individuele eindgebruiker. Door individuele aanpak missen we heel wat opportuniteiten en wordt er niet systematisch toegewerkt naar een ander, geïntegreerd energiesysteem. Daardoor hebben we een te laag tempo van transformatie/transitie, doen we het vaak weinig kostenefficiënt, missen we schaaloptimalisatie en riskeren we energie-armoede te verscherpen. Dergelijke keuzes kunnen ook een collectieve aanpak hypothekeren.

Voor een geheel van gebouwen/gebruikers/producenten (b.v. wijken, stadsdelen, bedrijventerreinen) stemmen we vraag- en aanbod van energie beter op elkaar af. Burgers, bedrijven en andere organisaties worden hierbij betrokken.

  • We maken samenwerkingsmodellen rond energie tussen burgers / bedrijven mogelijk (b.v. energiecoöperaties)
  • Er is een slimme tariefzetting (een aangepast steunniveau voor daken dat een grotere benutting van eigen dak of dat bij derden aanmoedigt …)
  • Business modellen worden aangepast zodat samenwerking voor allen positief wordt (groep prosumenten, netbeheerder, belastende overheid…)
  • In ruimtelijk vergunnings- en planningsbeleid wordt ingezet op collectieve hernieuwbare energie

3.4. Nood aan energiemakelaars en –regisseurs voor de energietransitie

Dat kunnen zowel overheden als private partijen zijn, die:

  • actief zoeken naar cases
  • ondersteuning bieden in de ontwikkeling van business cases
  • sociaal zwakkeren betrekken
  • naast burgers ook KMO’s helpen inzake transitieplannen

4.    Synergieën voor haven- en bedrijventerreinen

4.1. Haven- en bedrijventerreinen vergen een specifieke benadering

  • Warmte-uitwisseling tussen grote energie-intensieve bedrijven onderling is een grote uitdaging. De bedrijven op zich zijn vaak al erg efficiënt, maar de bedrijven energetisch vervlechten is moeilijk. De echte uitdaging is het identificeren van innovatieve business-cases, waarbij een win-win situatie voor alle partijen gevonden wordt.
  • Heel wat bedrijven zijn nog onvoldoende met energie-efficiëntie bezig en als ze dat al doen, gebeurt het vaak bedrijfsintern.
  • Om tot de juiste energiesynergieën en -cascades te kunnen komen, moeten overheden en/of energiemakelaars veel beter inzicht verwerven op de energie-installaties en het verbruik.

4.2.  Ondersteun bedrijven(terreinen) bij energietransitie

  • Bij de transitie naar hernieuwbare energie en energie-efficiëntie zijn de investeringsrisico’s en de timing vaak een groot obstakel. Er moeten dus partijen zijn die de risico’s dragen en dat op langere termijn.
  • Niet enkel tussen bedrijven onderling, ook de relatie tussen bedrijf/bedrijventerrein en omliggende buurt dient te worden meegenomen.
  • We stimuleren het gebruik van lokale biomassa, die gebruikt kan worden als een vorm van groene warmte (en groene elektriciteit in een WKK). Zo kan het beleid de aanleg van houtkanten plannen en/of promoten, met een ecologische meerwaarde. Het hakhout kan (om de 3 à 5 jaar) gebruikt worden voor opwekking van groene warmte (eventueel ook elektriciteit in een WKK) in efficiënte verbrandingsinstallaties (met minimaal 50% rendement en met lage emissies, zoals pelletskachels). Ook hiervoor is een ruimtelijk beleid nodig.

4.3. Maak van energie ook een locatie- en gunningscriterium

  • Energie moet ook een locatie- en gunningscriterium zijn voor bedrijventerreinen. Er wordt nu vanuit ruimtelijk beleid zeer sterk gefocust op de beschikbare hectaren voor de industrie en er wordt daarbij te weinig gekeken naar het energieprofiel.

5.    Verdere elementen

5.1. Data als belangrijke, maar niet de enige, schakel

  • Het verzamelen en beschikbaar stellen van data is noodzakelijk voor (ontwerpend) onderzoek, om tot doordachte keuzes te komen, om tot business cases te komen …
    – Extra GIS-lagen maken
    – Koppelen van data; ev. privacywetgeving hierop bijstellen/moderniseren
  • Het doel ervan is o.m. het zichtbaar maken van alle directe en indirecte kosten van verspreide bebouwing en verkaveling in functie van sensibilisering en beleid.
  • De beschikbaarheid van data is belangrijk om strategieën te kunnen uittekenen, die dan verder in projecten kunnen worden omgezet.
  • Data is echter niet alleen zaligmakend: een aantal GIS-initiatieven van de overheid in o.a. de windenergiesector leverden in het verleden niet het gewenste resultaat op. De sector staat dan ook terughoudend tegenover top-down planningsinitiatieven die louter gebaseerd zijn op GIS-data.

5.2. Tijd als cruciale factor

  • Gezien de omvang en de complexiteit vergt transitie de nodige tijd.
  • Op korte termijn zijn soms andere keuzes noodzakelijk dan op lange termijn:
    – soms kunnen kortetermijnkeuzes de langetermijnkeuze in de weg staan;
    -soms kunnen kortetermijnkeuzes – die niet echt helemaal OK zijn op lange termijn – toch als tijdelijke schakel essentieel zijn.
    -Overheden moeten zich grondig met het tijdsvraagstuk bezig houden. Zij moeten ervoor zorgen dat de langetermijndoelen bewaakt worden.
    Momenteel zijn daarvoor in Vlaanderen nog weinig of geen goede praktijken bekend. Dit vergt een actievere aanpak.

5.3. Sensibilisering en opleiding

  • Ruimtelijk planners en ontwerpers moeten meer vertrouwd raken met energievraagstukken en met de discipline van ruimtelijke energieplanning. Dat vergt onder andere een extra opleidingsmodule, introductie van knowhow in Vlaanderen en learning by doing (cases, ontwerpend onderzoek…).
  • Ruimtelijk planners en ontwerpers moeten een aantal ondersteunende instrumenten hebben: kaarten, mogelijkheden om vanuit energetisch perspectief een aantal zaken ruimtelijk te verankeren, proactieve beleidsinstrumenten (zie ook bij data)
  • Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet energie als cruciale opgave telkens meegenomen worden: morfologie, typologie van gebouwen, intra en extra gebouw-energiegebruik, hernieuwbare energieproductie …
  • Naast fysieke maatregelen moet ook effectief aan gedragsverandering gewerkt worden.