Vlaamse Vereniging voor
Ruimte en Planning

Woonuitbreidingsgebieden: wanneer negatief positief wordt, en vice versa

AN REKKERS. 4 JULI 2017. In juni stuurde de Vlaamse overheid een bevraging uit naar alle Vlaamse steden en gemeenten over de ‘positieve en negatieve lijst van woonuitbreidingsgebieden’. Als voorbereiding op het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, wil minister voor Omgeving Joke Schauvliege dat de gemeentebesturen laten weten welke woonuitbreidingsgebieden ze haalbaar achten om te schrappen (de negatieve lijst) en welke ze liever toch nog zouden ontwikkelen (de positieve lijst). Waarop sommigen zich terecht afvragen waarom er nog een positieve lijst wordt opgemaakt als het Witboek BRV een ‘veerkrachtige en robuuste open ruimte’ wil creëren en het ruimtelijk rendement van de bebouwde oppervlakte wil verhogen … 

Dat we in diezelfde week van welgemeende consultatie in Vlaanderen kamp(t)en met een bijna ongeziene en voor onze groententeelt catastrofale droogte, heeft bij onze minister van omgeving — tevens van landbouw — blijkbaar geen alarmbel doen rinkelen. Het ziet er dan ook naar uit dat het bij beleidsmakers niet is doorgedrongen, dat de verdere ontwikkeling van ‘positieve’ woonuitbreidingsgebieden nog meer verharding en verzegeling van de bodem met zich zal meebrengen, waardoor het water onvoldoende kan infiltreren (met verdroging als resultaat) en sneller afstroomt (met mogelijke overstromingen elders als gevolg).

Los van het feit dat elke vierkante meter open ruimte meer dan broodnodig is voor tal van grote maatschappelijke uitdagingen, zoals voedselproductie en biodiversiteit, recreatie en ontspanning, waterberging en energielandschappen, is het simpelweg niet slim én niet nodig om bijkomende ruimte (lees: woonuitbreidingsgebieden) in te nemen om iedereen een dak boven het hoofd te bieden. Als we slim (en niet overdreven) verdichten op een aantal goed gekozen locaties, vlot bereikbaar met openbaar vervoer, kunnen we alle bevolkingsgroei tot 2030 (en zelfs tot 2050) ruimschoots opvangen.

Alleen zullen we die aanpak niet stimuleren als we ‘positieve’ woonuitbreidingsgebieden blijven ontwikkelen, ook al is dat de weg van de minste weerstand en blijkbaar dus veel aantrekkelijker dan complexe inbreidingsprojecten of collectieve renovaties. In het RUIMTE-nummer 25 over wonen kwam het al aan bod, maar we moeten het duidelijk nog harder roepen: we bouwen te veel van hetzelfde en nog altijd te vaak op de verkeerde plaats (lees: vrijstaande woningen in vaak slecht gelegen verkavelingen). Hiermee creëren we overigens een overaanbod, dat zelfs in het meest spectaculaire groeiscenario voor Vlaanderen nooit zal worden ingevuld.

Kijken we als voorbeeld even naar Mechelen en omgeving. Anno 2016 telde deze middelgrote centrumstad 35.576 huishoudens. De Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) voorspelt dat dit aantal tegen 2030 met 11,52% zal stijgen. In de buurgemeenten ligt dat percentage amper half zo hoog.

De uitdaging inzake verdichting is de komende decennia dus veel minder groot dan hier en daar wordt aangegeven. Bovendien haalt de werkelijkheid deze cijfers zeer snel in: alleen al in Mechelen-centrum zitten anno 2017 stadsvernieuwings- en bouwprojecten in de pijplijn voor een totaal van ongeveer 3.000 woningen. Dit betekent dat overmorgen pakweg al 80% van de woonbehoefte voor 2030 in Mechelen gerealiseerd zal zijn. Dit overstijgt dan ook ruim de noden die door de SVR worden ingeschat voor 2018 (36 273 huishoudens).

De aangehaalde en geplande ontwikkelingen in Mechelen bevinden zich gelukkig allemaal op goed gelegen en goed ontsloten locaties, in de meeste gevallen gaat het om inbreidingsprojecten of de herontwikkeling van brownfields. Maar tegelijkertijd gaan de ontwikkelingen ook door in andere, vaak kleine gemeenten, en dat aan eenzelfde razend tempo. Neem nu Wuustwezel, dat in 2016 7.947 huishoudens telde en waar de prognoses voor 2030 9.152 huishoudens voorspellen. Ondanks het feit dat we ons ernstig vragen stellen bij het feit of Wuustwezel in het komende decennium met 13% moet groeien (1.205 huishoudens), zijn er vandaag al bouwaanvragen vergund of in uitvoering voor 154 nieuwe wooneenheden, én liggen er bovendien nog aanvragen klaar voor 321 wooneenheden, dat alles enkel en alleen in de hoofdgemeente Wuustwezel zelf (Gooreind en Loenhout dus niet meegeteld). Gelukkig durft een visionaire bestuursploeg deze kwesties grondig onder de loep te nemen.

Wie gaat er zich overigens vestigen in al deze woningen? En waar zal het overaanbod aan woningen zich eerst manifesteren? Allicht niet in de portefeuille van de grote ontwikkelaars, want (betaalbare) nieuwbouw zal nog wel een tijdje over de toonbank blijven gaan als zoete broodjes. Het probleem zal zich het eerst voordoen bij de oudere, vrijstaande, vaak slecht gelegen en ondermaats geïsoleerde villa’s. Dezelfde SVR-cijfers tonen immers aan dat het aantal grotere gezinnen sterk afneemt en dat vooral het aantal 1- en 2-persoonhuishoudens toeneemt. Deze kleine huishoudens vormen niet de doelgroep, zij zijn niet op zoek naar de grote woningen die de babyboomers stilaan verlaten, in de hoop hun pensioen te kunnen slijten in een comfortabele (nieuwbouw)woning of appartement. Maar als die woningen niet (meer) verkocht geraken, dreigt dit voor een groot deel van de bevolking wel een serieuze streep door de (pensioen)rekening te worden.

Een lijst met negatieve, dus te schrappen woonuitbreidingsgebieden (liefst zo lang mogelijk), lijkt ons dan ook een bijzonder ‘positief’ vooruitzicht. We zijn er alleen niet van overtuigd dat lokale burgervaders en –moeders hier effectief een lange lijst van zullen maken. Het zou getuigen van bijzonder veel politieke moed, om het stuk ‘bouwgrond’ van plaatselijke inwoners te ontnemen, al is het maar in de perceptie en zijn de percelen in vele gevallen nog niet vrijgegeven. Het mag dan al een sympathieke politieke zet zijn om de gemeentebesturen te raadplegen over het al dan niet schrappen van hun woonuitbreidingsgebieden, dit is naar onze mening niet het bestuursniveau dat in deze materie de beste, noodzakelijke, rationeel onderbouwde beslissing zal nemen.

Dit is een knoop die minstens op een bovenlokaal en intergemeentelijk niveau moet worden doorgehakt. Want als er in één gemeente geen bouwgrond meer beschikbaar is, zoeken kopers die wel in de buurgemeente. Het is dus de Vlaamse overheid die hierin haar verantwoordelijkheid moet opnemen. Ook al zal de negatieve lijst maatschappelijk wel weer voor wat beroering zorgen, dit is een cruciale stap om het BRV in praktijk te doen slagen en een trendbreuk te realiseren. Laat er ons alstublieft geen tweede boskaart van maken.

beeld: Eandiswijk Mechelen © buur.

Deze pagina werd aangemaakt op 04 juli 2017

©2019 VRP
Alle rechten voorbehouden.